foto-galerie onderaan

Thraciërs en granaatappelsap 

Drie uur in de bus moet ik, vanuit Sofia, hoofdstad van Bulgarije, land van de Thraciërs. De Grieken hebben veel goden en rituelen van de Thraciërs overgenomen. De Thraciërs zijn een oud, trots ruitervolk, dat zesduizend jaar geleden al het prachtigste goud smeedde. Ze hadden geen schrift, de Grieken wel. Wie schrijft die blijft: iedereen kent de Grieken van de Oudheid, niemand de Thraciërs.
Het is een rustige busrit, we rijden door groene bergen, ik kijk vanuit de airco naar een heet landschap. Ik stap uit in het dorpje Ilindentsi, in de schaduw van twee enorme platanen. Houten bankjes staan er, als bushokje, mensen drinken wat op een terrasje iets verderop. Irina haalt me op, we schuiven ook aan, we eten de nationale salade van Bulgarije, shopska; tomaten, komkommer, ui, perselie en witte kaas. Hoe het kan weet ik niet, maar deze salade is altijd lekker. Dit tentje is nieuw in town, zegt Irina, ze is er duidelijk blij mee. Ze vertelt over haar biodynamische boerderij, over Petr Dunov, de Bulgaarse Rudolf Steiner, over zorg voor kinderen met ‘special needs’, over de eurithmieruimte bij de schapenwei. Ze zijn goed in granaatappels, hebben granaatappelgaarden en verkopen granaatappelsap. Ik zal het later ook proeven. Als de rest van Bulgarije aan de borrel gaat, doe mij dan maar een glaasje hiervan. Je kunt er eindeloos van nippen.

Ik blijk ook uitgestapt in ‘oosterse-platanenland, platanus orientalis, de boom met de bladderende bast, maar deze soort heeft diep ingesneden bladeren. Deze soort is hier inheems. Irina laat me er in de loop van drie dagen tientallen zien, honderden jaren oud, zeker een tiental meer dan een half millennium. Hun lommer is diep, krachtig, rustgevend, zeker in dit deel van Bulgarije, aan de Griekse grens. 

In het hart van het Ilindentsi, bij de kerk, staat er ook één, ik doop haar de Ilindentsi Pod Skalite Plataan. Haar korte stam heeft de vorm van een stompe vulkaan, de basis is zo groot als een achtpersoons-hottub. Ik drink uit de bron aan haar voet. Door heel Bulgarije vind je bronnen, langs elke weg kom je ze tegen, wat een zegen. Maar een bron bij een oude boom is een zeldzamere combinatie. Ik vind het heilige krachtplekken. Ik laaf mij aan lommer en water. Irina en ik wisselen onder de boom onze levensverhalen uit, en waar we naar op weg zijn. Het is een bijzonder gesprek.

Maramor, marmer

We rijden de berg op, naar een andere lokale bron: een bron van marmer, de grootste marmergroeve van de Balkan, een witte wond in Moeder Aarde. De Romeinen haalden hier al marmer; in Ivailovgrad, een stad verderop, bouwden ze er Villa Armira mee. Deze villa uit de eerste eeuw na Christus is een bezienswaardigheid met een buitegewoon groot, gedetailleerd en prachtig bewaard gebleven vloermozaiek.  

Bij de marmergroeve stappen we uit, ik loop langs een bulldozer met banden die boven me uit torenen. De banden zijn gekleed in kettingen, marmerstof maakt ze tot een wit staand mozaïektapijt. Ik praat met de marmermannen, fier bergvolk. Ze wijzen me hoe ze de blokken uitzagen, met een grote kettingzaag. Groot wil zeggen: als ik een reus van zes verdiepingen hoog was zou ik hem kunnen gebruiken zoals ik mijn kettingzaag in de boomverzorging gebruik. Een van de mannen sleutelt eraan, hij gebruikt steeksleutels zo lang als zijn arm. 

Een collega met een stootijzer test de breuklijnen in het marmer, die bepalen mede de plek van de zaagsnede. Ze werken hier twintig jaar, vierentwintig, vijftien. Veel werk, weinig geld, zeggen ze trots. Nog één blok, dan is het klaar voor vandaag. Het is half twee, de zon is een koperen ploert. Ik kijk nog een keer diep in felblauwe ogen. Op de weg terug hobbelen we achter een vrachtwagen aan, twee witte blokken met de omvang van forse vrieskisten liggen op houten balken. Geen sjorbanden. Het marmer is zo zwaar dat wrijving ze blijkbaar op hun plaats houdt.

Blinde zieneres

Irina is druk, ze zet me af bij het huis voor vrijwilligers, ik ontmoet daar Joanne, een Bulgaarse die lang in Duitsland gewerkt heeft, ze vrijwilligt in de tuinen van de boerderij en verdient geld door vier uur per dag bij de online klantenservice van Etsy te werken. De volgende dag ontmoet ik vrijwilliger Jeron, een 23-jarige Duitser, hij rijdt me naar de heetwaterbronnen van Rupite. We nemen een ochtendbad, het water stroomt, sputtert en dampt. Na IJsland is Bulgarije in Europa het land met de meeste heetwaterbronnen. Een paar jaar terug was ik elders in Bulgarije bij een badhuis met thermaal water, in Stara Zagorski Mineralni Bani, in een badhuis dat sinds het communisme niet meer opgeknapt is. Het was een heel bijzondere ervaring, terug in de tijd. Het functioneert nog steeds zoals vroeger ook in Nederland de badhuizen functioneerden: huizen hadden geen badkamers, men ging een paar keer per week naar het badhuis, mannen en vrouwen gescheiden. Het badhuis kon wel een likje verf gebruiken, maar het water diep uit de aarde is rijk, warm en weldadig, entree was 2 leva (ongeveer 1 euro). Hier in Sandanski is geen badhuis, het zijn warme meertjes in de natuur. De rode bergen rijzen boven ons uit. Jeron en ik zijn vroeg genoeg om in alle rust een weldadig bad te nemen. Na het bad slenteren we naar de plek waar de blinde zieneres Baba Vanga de toekomst voorspelde en zieken genas. We lopen door haar huis waar ze mensen ontving, zien het bankje waarop ze in de ochtend zat. Ik neem wat foto’s en neem de maten van het bankje op, kan ik het een keer namaken. Er is een kapelletje gebouwd, veel bomen, struiken, bloemen, gras. En er is een restaurant, mooi gedaan, het is geen Disneyland geworden.

Serdika en Smolyan
Drie dagen zijn voorbij, ik zwaai Irina na. Ik kwam haar tegen op een biodynamische conferentie in Dornach, Zwitserland. Ze nodigde me uit en mijn bezoek aan haar biodynamische boerderij, aan de Oosterse platanen, aan de heilige waterbron bij de Oosterse plataan en aan de open witte wond in de Moeder Aarde was het gevolg. Ik nodig haar uit voor een wederbezoek in Almere.

Nu sta ik samen met baba Tinka – we stellen ons als toevallige passanten in het leven even voor – weer onder de platanen van het begin, we nemen in de ochtendkoelte de bus terug naar Sofia. Baba legt een zachtgroene, veel gebruikte plunjebaal in het ruim, ik leg er mijn felblauwe backpack naast. 

Sofia heette onder de Romeinen Serdika. Uitgestrekte archeologische stedenbouwkundige ruïnes herinneren eraan. Serdika lokte de Romeinen door de warme bronnen. Midden in de stad is dit een hoorn van overvloed, de stroom warm water stroomt altijd uit de tientallen waterpunten. Deze openbare heetwaterbronen hebben een medicinale werking op de ingewanden, je kunt je waterfles vullen. Locals tappen jerrycans vol. Als ik local zou zijn zie ik mijzelf met een aantal jerrycans, wat spanbanden en een steekwagen af en toe mijn zitbadje thuis om de hoek wel vol tappen. Het onder het communisme gebouwde badhuis dat bij de bronnen hoort is nu een museum.

Ik stap uit, groet baba Tinka en de buschauffeur en loop met mijn blauwe rugzak naar het afgesproken rendez-vous-punt. Ik stap in in de camperbus van Delyan. Delyan maakt kunstige puzzelmeubels, van massief hout. Ik ben reseller, verkoop zijn meubels in Nederland, ik ken Delyan al een jaar of tien. Hij nodigde me uit om mee te gaan naar een filmfestival in de bergen, in het stadje Smolyan, we hebben een uur of vier om bij te praten.

Filmfestival in de Rodopi Bergen

Een vriendin van Delyan maakte een van de documentaires die op het Rodope Filmfestival vertoond worden, een documentaire over nomadische koeienhouders, Djemal en Aysha. Zoon Ahmed zal de boerderij overnemen, hij werkt al volop mee. Ze zijn deel van de moslimminderheid in Bulgarije, de Pomakken. Ze verkopen de melk van hun vijftien koeien voor goed geld in Sofia, het is hun manier om vrij en onafhankelijk te blijven, EU-subsidies bereiken hen niet. De film toont onder meer  dat de gehoornde dames uit de zomerbergweides in de eerste sneeuw naar beneden gedreven worden. Waar was de film gemaakt? Oh, ergens in het heetste deel van Bulgarije. Ja ergens vlakbij de boerderij van Irina. Hoe heet ze? Nevena. Irina had me zonder dat ik het wist over de documentaire verteld, ze had Nevena goed leren kennen, had veel voor de crew geregeld. Ze werken als boerderij samen met Djemal en Ayshe, ze verkopen melk en granaatappelsap in Sofia, combineren het transport en de verkoopkraam. Ik ontmoet ’s avonds Nevena en doe haar de groeten van Irina, ze barst spontaan in juichen uit. 

In het bergdorp Smolyan is het goed toeven. De documentaires en filmhuisfilms doen me goed, de ontmoetingen met de makers zijn makkelijk en ongedwongen. De film Blueberry Dreams is gemaakt door de Georgische Elene Mikaberidze . Als ik haar mijn kaartje geef vertrouwt ze me toe dat ze vijf jaar in België heeft gewoond en het Nederlands machtig is. Ze belooft me het recept van de biologische kruidengier die Soso, de hoofdpersoon uit haar film, over zijn bosbessen sproeit. ‘s Avonds treedt de band No more many more op. Feest! Ik kom Nikolay Stefanov te spreken, zijn documentaire over mijnwerkersstad Pernik brengt de opkomst van extreemrechts in de plaats in kaart: No place for you in our town. De volgende middag zie ik ook Nevena’s documentaire ‘Jar of time’. Een intiem potret van ee Djemal, Ayshe en Achmed worden in het zonnetje gezet, applaus klinkt. Het festival is voor mijn voorbij, ik neem afscheid van mijn nieuwe vrienden, Delyan gaat toch niet terug naar Sofia met zijn bus, maar juist nog verder. Via een Bulgaarse marktplaats kon hij maandag een energiezuinige vrieskist met transportschade voor de helft van het geld ophalen. Het is wel in Yambol, een paar honderd kilometer en een dag rijden verderop. We nemen vrolijk afscheid.

Vlado, Raya en Pop Art

Ik kan gelukkig wel mee terug naar Sofia met Vlado en Dragoman. En ik deel de achterbank van de huurauto met Raya, de moeder van Nevena. We rijden de eindeloos kronkelende weg tussen groene bergen door naar beneden, de hitte in. Het is het eind van de dag, maar waar de temperatuur in het begin nog 28 graden was, eindigen we met 37. De airco van de auto heeft het er moeilijk mee.

Raya is supertrots op haar dochter en is executive producer van de documentaire, en is ook geïnteresseerd in mijn kunst. Ik vertel dat ik met bomen en mensen werk, dat ik de boom en naam geef, ze ook oogst en het hout voorzie van een id en herkomst chip. Ik vraag mijn publiek het hout mee te nemen de wereld in en zo maak ik een genetwerkt eerbetoon aan de boom die ooit was. Wie oogst geeft ook terug: bomen planten doe ik ook. Raya luistert gebiologeerd. 

Ik vertel haar ook over Pop Art House Osenovlag, mijn kunstinstallatie in Bulgarije. Op de internationale site transartists.org kunnen kunstenaars zoeken naar residentieplekken over de hele wereld. Pop Art House Osenovlag is mijn huis en staat op Transartists als ‘selforganised residency’. Je videobelt met mij voor de intake, je maakt een kunstplan, je gaat erheen, krijgt de sleutel van de buurvrouw en betaalt met kunst. Zo hebben kunstenaars al veel in het huis achtergelaten, muurschilderingen gemaakt, de beeldentuin aangevuld. Ik heb het huis in een oneindig sociaal proces opgenomen waarmee het langzaam een netwerk van residenten wordt dat zich in fysieke vorm vertaalt in een veranderend huis.

Communistische woontoren

We arriveren weer in Sofia, leveren de huurauto in en stappen in de metro. Dragomir en Raya stappen eerder uit. Vlado en ik blijven zitten, een man met felblauwe ogen staart me intens aan, ik vraag maar hoe het gaat. Hij antwoord niet maar vraagt waar ik vandaan kom, hij spreekt Engels. Ik antwoord en vraag waar hij vandaan komt. Hij lijkt dronken. Voor het ongemakkelijk wordt stapt hij uit, met de woorden: “I like to observe who is coming and going”.

Ik wil ook uitstappen en zeg Vlado dat ik naar een hotel ga. Maar hij reageert dat hij wel een sofa heeft om op te slapen en nodigt me uit. Ik blijf zitten en stap met Vlado uit, we lopen in drie minuten naar zijn huurappartement op de 13e verdieping. Het is een enigszins opgeknapte woontoren uit de communistische tijd. De sofa blijkt een slaapbank, die verrassend goed ligt. Ik rol eerst mijn lakenzak uit maar ik krijg schoon beddegoed. Ik kijk in de schemer vanaf het balkon uit over de lichtjes van een hete stad. De oude Vitusha vulkaan is een donker silhouet in het zuidwesten. We gaan naar een restaurantje, drinken nog een biertje, en bestellen er een pizza bij. Vlado vertelt over zijn moeder, die oud wordt. Ze wordt sneller oud dan haar hond, een Husky: hij trekt haar omver. Vlado laat geregeld de hond voor haar uit. Hij is net verhuist naar dit verrassend ruime appartement, hij kan nu op de fiets naar zijn moeder. Zijn broer woont ook in de buurt, ze mantelzorgen samen voor haar. 

In de IT

Vlado zit in de IT, een grote sector in Bulgarije, een land dat traditioneel goed is in wiskunde-onderwijs. Geen toeval wellicht dat de halve Bulgaar John Atanasov de uitvinder werd van de eerste electronische digitale computer, ergens in de jaren dertig. John’s vader Ivan werd zelfs nog geboren in het Bulgarije onder de Ottomanen, John’s opa werd gedood door Turkse soldaten tijdens de bevrijdingsstrijd. Ivan vluchtte naar de VS, waar hij John’s moeder ontmoette, de Frans/Ierse Iva Purdy. Zij was wiskunde-docent. John had het niet van vreemden.

De volgende ochtend vroeg vergezelt Vlado me naar het metrostation, drie minuten lopen. De lucht is nog koel, de talrijke bomen maken de wijk sfeervol. Een koffietentje opent de deuren. Ik geef Vlado een hug, en nodig hem uit voor mijn boomhut in Nederland. Hij moet voor zijn werk geregeld in Brussel zijn, dus wie weet. Het voelt vertrouwd, alsof ik heel even een ‘roommate’ was. Ik zwaai hem uit en ben op weg naar mijn huis in de bergen. Ik kocht het twintig jaar geleden van een priester. Het Bulgaarse woord voor priester is Pop. Het interieur waarin hij en zijn vrouw leefden liet de familie in het huis staan. En alledaagse gebruiksvoorwerpen tot kunst verheffen is Pop Art. Een huis met tuin is ook een alledaags gebruiksvoorwerp. Ik heb het Pop Art House Osenovlag gedoopt, mijn kunstinstallatie in Bulgarije.

Osenovlag

Vier metrostations, twee uur in de huurauto en een aangestoken kaarsje verder sta ik rond een uur elf op het plein van Osenovlag, een bergdorp met negentig inwoners, met bijna allemaal pensionado’s, er is één kind van 12. Een sterk leeglopend platteland met oude mensen is kenmerkend voor Bulgarije, een land waar sinds de val van de muur een kwart van de bevolking naar het buitenland verdween. Het winkeltje annex kroeg is open, mijn buurvrouw Mariana is de uitbaatster en een flink aantal dorpelingen zit buiten, aan het bier en de sigaret. Ik ken de meesten wel, gegroefde gezichten, maak een praatje. Ik loop door naar de winkel, Mariana biedt me een kopje kruidenthee aan. Ik koop van alles in, mijn kleine bijdrage aan de dorpseconomie. Maandag komt het groente en fruit vers binnen, goed om te weten.

Mariana is ook mijn buurvrouw, degene die bezoekers van het Pop Art House Osenovlag de sleutel overhandigt. Buurman Mitko is haar vader, Tsetsa haar moeder, Borko haar man. Bonka is een nicht van Mitko en burgemeester van het dorp. We vormen een buurtje van vijf huizen. Het huis dat ik kocht was ooit van de opa van Mitko, die gaf het door aan een neef van Mitko, de priester. Ik ben een beetje opgenomen in de familie, de historie is duidelijk. 

Dimiter Kristanov

Ik heb natuurlijk mijn eigen sleutel. Mitko is in de zeventig en is sinds jaar en dag de ‘maestor’ van het dorp, opperhoofd bouw zeg maar. Hij heeft de mooiste houtzagerij van Europa, zaagt en schaaft hout uit het omringende bos, en bouwt er alles van. Hij houdt ook erg van beton. Hij en ik hebben al een aardig gemeenschappelijke taal en humor opgebouwd. Hij heeft ook het dak van mijn huis vervangen en uitgebreid, de terrasoverkapping aangelegd, mijn buitenkeuken vernieuwd, de zinken goten aan mijn huis gemonteerd. Als de ene klus klaar is heeft ie vaak alweer een nieuwe klus verzonnen. Veel aan mijn huis draagt zijn handschrift. Hij is nu bezig met een nieuw dak in een dorp verderop.

Ik kocht mijn huis van de neef van Mitko, zijn naam was Dimiter Kristanov. Dimiter was ook de priester van het oeroude, prachtig onderhouden mini-klooster Sedemte Prestola, 7 km bergafwaarts, waar ik mijn kaarsje op weg hiernaartoe aanstak. Hij reed dronken het ravijn in, zo gaat het verhaal. Een gedenkteken wijst de plek. Ik kocht het huis zoals hij en zijn vrouw het hadden achtergelaten, de familie had er nauwelijks iets weggehaald, ik zag het als een museum en heb het zo gelaten. Bulgaars-Orthodoxe priesters moeten juist getrouwd zijn, zijn weduwe verhuisde naar het klooster. Als resident eet je van hun borden, zit je op hun stoelen, ik gebruik nog steeds hun zout, op hun ledikanten legde ik nieuwe matrassen. 

Priesterpoep

Ondanks al het geklus van Mitko is het huis vooral museaal. Op de schaal van comfort is het niet veel meer dan een schuur met een goed dak en stroom. Het heeft geen keuken, geen douche en toilet. Buiten is een klein huisje met een diep gat in de grond, gevuld met zeker een halve eeuw priesterpoep. Residenten poepen op de grote hoop, het stemt mij nederig. Franse kunstenaars, Florent Poussineau en Vincent Terranova maakten een kakkruk, de Nederlandse kunstenaar Terry Vreeman een toiletrolhouder. Met behulp van zaagsel van Mitko is het geurvrij. 

Mitko bouwde aan het kakhuisje een soort houten saunacabine, daar kun je koud water over je heen gooien. Heet water maak je op de houtkachel of de campingdouche op zonne-energie. Er is een kleine, overdekte buitenkeuken, met een koudwaterkraan. Het water komt rechtsstreeks uit de bergen, we hebben een eigen bron.

Op zijn bergdorpbulgaars

Ik kom nu echt aan, draai de deur van het slot en aanschouw alle kunstinspanningen van residenten John en Gera, die in mei een goeie twee weken werk gemaakt hadden. Het is alsof ik in een expositie in mijn eigen huis terecht kom. Kleine en grote invloeden zijn er. Een stapeltje schone handdoeken, een buitenstopcontact, een prachtige Bulgaarse wegenkaart, notities in het gastenboek. Een grote muurschildering op het kakhuis en een beeld in de beeldentuin. Ik zie dat ook de zwaluwen weer een nest naast de voordeur gemetseld hebben. Te gek! 

Ik snoei de priesterlijke druif en de blauwe regen die zelf plantte. De es in de kleine tuin staat er prachtig bij.  Ik kijk naar de tientallen zwaluwen op de elektriceitslijn naar mijn huis. De es heeft nog wel een meter te gaan tot de zwaluwen op de lijn, volgend jaar zal ik de es weer knotten.

In de donatiebox zat ook nog geld van John en Gera. Daarmee heb ik met Mitko een buitengootsteen aangelegd. Dat gaat dan zo. Hij heeft een gootsteen in zijn huis die hij nooit meer gebruikt. Die mag ik wel overnemen, zei hij vorig jaar. Nu kom ik er dinsdagochtend om tien uur op terug, Mitko kwam langs voor de koffie. Hij zegt, OK, ik ben even weg. Een uur later staat hij voor mijn neus, hij heeft de gootsteen uitgebroken, het is een gietijzeren ding, geemailleerd, Bulgaars, jaren vijftig. We lopen naar het houten aanrecht van de buitenkeuken, die Mitko eerder al eens timmerde, eigenlijk een sidetable. We tikken er een paar latten uit, de gootsteen past er nu in. Een niveau lager moet er nog een lat uit, voor de afvoer. Hij loopt naar zijn schuur en vind een paar PVC-pijpen en een bocht. Nog een lat aan de zijkant eruit, de afvoer loopt nu uit in de bestaande afvoer, waar de buitenkraan sinds onheugelijke tijden in uitloopt. Mitko loopt nog even naar zijn houtzagerij en een kwartier later is ie terug met een versgezaagde, afgeschuinde afwerklat. De volgende dag kopen we in de grotere stad wat loodgietersspullen. Mitko legt de kraan om naar de gootsteen. Niet lullen maar poetsen op zijn bergdorpbulgaars. 

Wat houd ik van mijn dorp, mijn huis, mijn buren.